‘Iemand krijgt het lid op de neus’.
Dat wordt wel gezegd, en dát meen ik heus.
Bij deze spreuk, vind ik gewis:
‘Een lid op de neus, is niet zo fris’.
Waarbij ik bedenk, hoe of men kijkt,
als dat lid pardoes de neuspunt bereikt.
Voordat je nu aan wat ‘raars’ gaat denken:
’t gaat niet om een clublid, waarnaar je kan wenken.
Het lid waarvan ik schrijf, is voor iedere man:
het deksel van een tinnen kan.
Een kan vol bier en grote slokken,
leiden tot nasale brokken.
Wie zijn bier drinkt, als een gulzige bok,
krijgt het lid, gewoon op zijn gok.
Of met netter woordenkeus:
Wie het onderste uit de kan wil, krijgt het lid op zijn neus.